De pruimenboom

 

Jantje zag eens pruimen hangen,

o, als eieren zo groot.

         ít Scheen dat Jantje wou gaan plukken,

schoon zijn vader ít hem verbood.

Hier is, zei hij, noch mijn vader,

noch de tuinman die het ziet:

 

aan een boom, zo vol geladen,

mist men vijf, zes pruimen niet.

 

Maar ik wil gehoorzaam wezen,

en niet plukken: ik loop heen.

Zou ik, om een hand vol pruimen

ongehoorzaam wezen? Neen.

 

                                                Voort ging Jantje: maar zijn vader die hem stil beluisterd had,

                                        kwam hem in het lopen tegen vooraan op het middenpad.

                                        Kom mijn Jantje ! zei de vader, kom mijn kleine hartedief!

                                Nu zal ik u pruimen plukken, nu heeft vader Jantje lief.

                                                Daarop ging Papa aan ít schudden, Jantje raapte schielijk op;

                                            Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen en liep heen op een galop.

 

Hieronymus van Alphen

 

Startpagina   galerie